UNDER CONSTRUCTION, please come back later. Thank you.


In de Opiumwet wordt gewerkt met twee lijsten drugs. Op lijst I staan drugs met een onaanvaardbaar risico, ook wel harddrugs genoemd (zoals cocaïne, amfetamine, MDMA (XTC), heroïne en LSD). Op lijst II staan drugs waarvan de risico’s minder groot zijn dan van de drugs op lijst I, ook wel softdrugs genoemd. Voorbeelden zijn cannabisproducten, paddenstoelen en slaapmiddelen (benzodiazepinen).

De wet maakt vervolgens een onderscheid in verschillende handelingen die strafbaar zijn. Strafbaar zijn: bezit, bereiding of productie, verkoop en export. Opvallend is dat gebruik niet strafbaar is.

Strafbare handelingen moeten opgespoord en bestraft worden. In de wet staat de strafmaat genoemd. De hoogste officieren van justitie (de procureurs-generaal) vaardigen ook nog zogenaamde richtlijnen uit. In deze richtlijnen staat beschreven aan welke strafbare feiten de politie de meeste aandacht moet geven en welke straf gegeven kan worden.

Op lijst I staan drugs met, zoals de wet dat noemt, een onaanvaardbaar risico. Het gaat dan om drugs als cocaïne, amfetamine, MDMA, heroïne en LSD. In totaal staan er tientallen drugs op lijst I. GHB stond altijd op lijst II maar op 6 september 2011 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport laten weten dat ook GHB op lijst 1 van de Opiumwet kwam. GHB valt ook nog onder een andere wet (namelijk de Geneesmiddelenwet).

Op lijst II staan onder andere cannabis, benzodiazepinen, qat en paddenstoelen. Het kabinet heeft qat in januari 2012 verboden.


De Opiumwet noemt verder een groot aantal strafbare handelingen. Gebruik op zich wordt niet als een strafbare handeling gezien. Gebruikers worden dan ook niet vervolgd. Wel verboden is: bezit, handel, productie, invoer en uitvoer. De straffen die in de wet voor drugs op lijst I genoemd worden zijn veel hoger en zwaarder dan de straffen voor producten op lijst II.

De strafbare handelingen moeten opgespoord en bestraft worden. De hoogste officieren van justitie (de procureurs-generaal) hebben hiervoor zogenaamde richtlijnen vastgesteld. In deze richtlijnen staat beschreven aan welke strafbare feiten de politie de meeste aandacht moet geven en welke straffen vervolgens gegeven kunnen worden.

Van belang hierbij is het in het Nederlandse strafrecht opgenomen opportuniteitsbeginsel. Het opportuniteitsbeginsel houdt in dat afgezien kan worden van vervolging en straf, als daarmee een hoger belang (bijvoorbeeld volksgezondheid) gediend wordt.

Handel in harddrugs moet volgens de richtlijnen de meeste aandacht krijgen en wordt het strengst bestraft, daarna volgt handel in softdrugs. De minste aandacht is nodig voor strafbare feiten die samenhangen met gebruik. Bezit voor eigen gebruik van zowel harddrugs en softdrugs hoeft volgens de richtlijnen in het geheel niet opgespoord en bestraft te worden.

In de richtlijnen staat beschreven wat als een hoeveelheid voor eigen gebruik beschouwd kan worden. Voor hasj en wiet is dat 5 gram, voor xtc 1 pil en voor cocaïne een halve gram. Treft de politie een dergelijke hoeveelheid aan dan kan politie het wel in beslag nemen, maar volgt er geen boete of vervolging.

Overigens blijven het richtlijnen. Dat betekent dat met een beroep op de wet een plaatselijke officier van justitie altijd een afwijkende beslissing kan nemen.

De Opiumwet staat gebruik van drugs voor medische en wetenschappelijke doeleinden wel toe. Dus als een anesthesist de pijn van een kankerpatiënt verdooft met morfine is dat niet verboden. Wel moet een arts of apotheker allerlei administratieve handelingen verrichten en is er strenge controle.

In de Opiumwet staan ook middelen genoemd waarbij we niet zo snel aan een drug denken, maar eerder aan medicijnen. Het gaat dan om medicijnen die gemakkelijk als drug misbruikt kunnen worden, zoals bijvoorbeeld het slaapmiddel Rohypnol (flunitrazepam). Dit middel kan dus niet zomaar voorgeschreven worden.

  • Gitta Sluijters
    The New World Consciousness
    Amsterdam